Wanneer zullen deze kwellingen een einde nemen?

Hélène Govers (Oostende 1876 – Brugge 1965) schreef in een schoolschriftje haar herinneringen aan WO I onder de titel Souvenir de la Guerre Européenne 1914-1915-1916-1917-1918. Mes Mémoires. Het schriftje telt 109 pagina’s en is nu in het bezit van kleindochter Rosane Vermeirsch

Toen Hélène 15 jaar was, zag ze in een hoedenwinkel een vacature voor  loopmeisje. Ze werkte zich op tot een bekende ‘modiste’ en bouwde in de Oostendse ‘Boulevard du Midi’ (nu Alfons Pieterslaan) een eigen gerenommeerde zaak uit met een atelier, waar - na WO I - tot tien jonge naaisters aan de slag waren. Ze trouwde met Theodoor ‘Theo’ Debeen, hoofdtreinwachter bij de Nationale Maatschappij voor Buurtspoorwegen.

Hélène verloor drie kinderen, een meisje en twee jongens. In 1904 werd haar vierde kind, Jenny geboren en in 1906 Solange. Toen de Eerste Wereldoorlog uitbrak, was Hélène opnieuw zwanger.

Aan het begin van de oorlog zat het huis van de familie Debeen-Govers vol vluchtelingen uit Brussel, Mechelen en Erquelines die middelen hadden om een kamer te betalen. Hélène nam ook de zorg op zich voor twee meisjes uit Leuven van wie de ouders vermist waren.

Na de Val van Antwerpen op 10 oktober 1914 schreef Hélène in haar dagboek:

'Ik vertel mijn man dat ik Oostende niet wens te verlaten gelet op mijn gezondheid en gelet op de toestand waarin ik mij bevind. Binnen een zestal weken zal ik moeten bevallen. Enkele bevriende soldaten brengen ons een bezoek. Allen raden ons aan te vluchten. Wij komen er echter niet toe te beslissen. Moeten we alles, maar dan ook alles achterlaten? Ons huis en datgene wat ons daarmee verbindt, maar ook onze ouders, broers en zusters? Uiteindelijk besluiten we de wijk te nemen naar Engeland.

Men kan zich moeilijk voorstellen wat het betekent, welk gevoel men ervaart, wanneer men alles verlaat waar men van houdt, alles waaraan men gehecht is, en dit om 05.30u ’s morgens!!'

Omdat er in Oostende geen plaats meer was op de boten, besloot Hélène met haar twee dochters, de twee Leuvense meisjes en nog drie Leuvenaars via Nederland naar Engeland te reizen:

'Theo vergezelt ons tot aan het station want hij mag zijn dienst niet verlaten. We moeten afscheid nemen van elkaar… het is ondragelijk… zullen we elkaar ooit nog terugzien? Iedereen weent. (…) De tramstoestellen kunnen deze massa niet aan. (…) Vrouwen worden door de open vensters in de tram geduwd. Er wordt geroepen, geweend. Afgrijselijk! In al dit gedoe ben ik bevreesd ruw behandeld te worden, een duw of een stoot te krijgen die mij slecht uitkomt, gelet op mijn toestand. Uiteindelijk bereiken we via Knokke de Nederlandse grens. (…)

“We stappen sedert enkele uren onder een aanhoudende fijne regen wanneer we omstreeks het middaguur Sluis bereiken. We zijn bekaf! Vooral Jenny en Solange die eveneens zwaar beladen zijn, klagen van vermoeidheid.'

Gelukkig voegde Theo zich na enkele dagen bij zijn gezin maar hun geldreserves slonken razendsnel. Doordat hun Leuvense reisgezellen helemaal zonder middelen van bestaan vielen, keerden die in november naar België terug. Op 20 november werd Suzanne geboren in Souburg  (Zeeuws-Vlaanderen). Het gezin kon Nederland verlaten op 25 december 1914. In Folkestone werden ze verwelkomd door Engelse dames die hen melk, brood en kaas aanboden. Ze logeerden er bij Mr en Mrs Stokes in Victoria Grove 11, maar werden enkele dagen later doorgestuurd naar Alexandra Palace waar Hélène met de kinderen in een zaal met 300 bedden terechtkwam. Theo sliep in de mannenslaapzaal. Na enkele dagen verhuisden ze naar een kleinere slaapzaal. Hélène had er vooral schrik voor ongedierte en besmettelijke ziektes.

'We brengen hier de 1ste januari 1915 door. Ik zal deze datum nooit vergeten. De kinderen worden beladen met speelgoed. Er is een concert e.d. maar hoe meer er gefeest wordt, des te groter wordt mijn verdriet.'

Uiteindelijk kon het gezin op 8 januari naar Fulwood vertrekken, een voorstad van Preston in Lancashire. Daar woonden ze in een mooi huis met elektrische verlichting en warm water. Het geluk was echter van korte duur. De baby raakte ondervoed, Solange kreeg difterie en het leven in het huis werd verstoord door de komst van nog twee Belgische families die elkaar voortdurend in de haren zaten. Theo ging in een munitiefabriek werken. Na het herstel van Solange kreeg Hélène te horen dat ze geopereerd moest worden. In 1916 kreeg ook Jenny difterie. In 1917 werd Suzanne met roodvonk opgenomen in het ziekenhuis. Amper een week thuis kreeg ze de mazelen.

Pas op 28 maart 1919 ontving de familie Debeen de papieren voor de terugkeer naar België op 4 april: 'Theo is daardoor zeer geërgerd. Op zijn werk wil men graag dat hij vertrekt zodat Engelse werklieden zijn plaats kunnen innemen.'Op 4 april moest het gezin in Earl’s Court nog wachten tot de volgende dag om de trein naar Dover te nemen. Op het Russische schip dat hen terugbracht, waren de omstandigheden abominabel: 'We zitten als sardienen in een doos, lijden allemaal onder de koude en slapen van de gehele nacht niet meer'. Om 4.30u meerde de boot aan in Oostende, waar het gezin zijn interieur volledig vernield terugvond nadat Duitse militairen het tijdens de oorlog bewoond hadden.

Hélène was later nog een personage in de boeken Aan zee en De hoed van tante Jeannot van Eric De Kuyper, ooit één van haar huurders. 

 

Bronnen:

Getuigenis Rosane Vermeirsch (kleindochter), 22 mei 2015.

Een koffer vol verhalen, Oostende, Willemsfonds, 2008 (vertaling van het dagboek door Stefaan Brusseel).

Emma Legein (achter-achterkleindochter),  Onderzoekscompetenties Familiegeschiedenis Opdracht 2,  St. Andreasinstituut Brugge, Humane Wetenschappen 5A nr. 20, Schooljaar 2013-2014.